18-12-2020

De pioniers van Oost-Groningen

door Sanne Meijer

 

Oost-Groningen: het roept bij veel Nederlanders een beeld op van armoede en achterstand. Dat is jammer, en ook niet helemaal verdiend. Misschien is het sowieso een beetje moeilijk om over ‘Oost-Groningen’ als één geheel te praten. Het is immers een groot gebied, met veel verschillende mensen en verhalen. Maar één ding hebben Oost-Groningers wél gemeen: het zijn pioniers. Aanpakkers. En dat is altijd al zo geweest.

Het zuidoosten van Groningen kenmerkt zich door kaarsrechte kanalen en wegen, langgerekte dorpen en de geur van bloeiende aardappelvelden in de zomer. Maar wist je dat dit gebied tot diep in de achttiende eeuw tot één van de meest geïsoleerde gebieden van West-Europa behoorde? Dat had alles te maken met het Bourtangermoeras: een stil, donker en ongerept hoogveengebied tussen de Hondsrug en de Eems.

Pioniers van het veen

Pas in de middeleeuwen trokken er mensen naar het moerasgebied. Zij vestigden zich op de schaarse zandruggen in het moeras. Langs de randen begonnen zij kleine stukjes veen droog te leggen. Vanaf de zeventiende eeuw gebeurde dit op steeds grotere schaal. Er werden zelfs speciale compagnieën opgericht, die ervoor zorgden dat het hele veengebied ontgonnen werd. Destijds bestond er namelijk een grote vraag naar turf, een belangrijke vorm van brandstof. Niet voor niets werd turf ook wel het ‘bruine goud’ genoemd.

De veenafgravingen zorgden voor een compleet nieuw landschap in Oost-Groningen. Het veen verdween, het onderliggende land veranderde in akkerbouwgrond en er ontstond een uitgebreid netwerk van kanalen en sloten. Er werden wegen aangelegd en langs het water ontstonden langgerekte lintdorpen waar veenarbeiders kwamen te wonen. Zo werd het gebied steeds verder ontsloten, en bovendien beter bewoonbaar. De Groninger Veenkoloniën waren geboren.

Pioniers van het klei

Dat Oost-Groningers er alles voor deden om hun leefomgeving naar eigen hand te zetten, zag je ook in het gebied rond de Dollard. De Dollard is in de late middeleeuwen ontstaan door een aantal beruchte stormvloeden, waarbij zeewater diep landinwaarts werd gestuwd. Daardoor verdwenen hele dorpen in de golven. De kustlijn lag toen heel anders dan nu. Je kunt het je haast niet voorstellen, maar inwoners van Blijham zagen de masten en zeilen van grote schepen aan hun horizon.

Daar kwam verandering in toen kustbewoners land begonnen terug te winnen op de zee. Met de aanleg van uitgestrekte polders en kilometerlange dijken wisten ze niet alleen droge voeten te houden, maar ook grote hoeveelheden nieuw landbouwgrond te creëren. En wat voor grond: de zware, vette klei is buitengewoon vruchtbaar. Eindeloze goudgele graanvelden, zachtjes wuivend in de zeewind, zijn het resultaat.

Pioniers van de landbouw

Al die nieuwe landbouwgronden in Oost-Groningen brachten een hoop innovaties met zich mee. Zo merkten de boeren in de Veenkoloniën al snel dat hun nieuwe grond flink wat bemesting nodig had. Schoolmeester Klaas Jan de Vrieze uit Oude Pekela voerde daarom in 1850 een succesvol experiment uit met kaliumcarbonaat, en ontwikkelde zich vervolgens tot een bekend landbouwvernieuwer en propagandist van kunstmest. Het werk van de Vrieze gaf een flinke impuls aan de landbouw in de Veenkoloniën. Vier jaar na zijn dood in 1915 werd in Bareveld een monument voor hem opgericht, met daarop de tekst: ‘Hij wees den landbouw nieuwe wegen. Den boer tot heil, het land ten zegen’. Ondertussen hield Geert Veenhuizen uit Stootshorn zich bezig met het veredelen van aardappelrassen. Op een proefveldje van de landbouwvereniging ‘Borgercompagnie, Tripscompagnie en Kleinemeer’ ontwikkelde hij de inmiddels wereldberoemde Eigenheimer. En daar liet hij het niet bij. Rond 1925 groeide op ongeveer tweederde van álle aardappelvelden in Nederland aardappelrassen die in de Veenkoloniën waren ontwikkeld.

Al die aardappelen werden lange tijd met hand geoogst. In Veendam en omgeving werd al vroeg gezocht naar een machine die deze handenarbeid kon vervangen. Al in 1861 schreef de Maatschappij voor Landbouw in Veendam daar een prijsvraag voor uit. Uiteindelijk lukte het boer Thomas Zuiderweg uit Zuidwending in 1946 om zijn hele oogst binnen te halen met een zelfgebouwde aardappelrooimachine, als één van de eerste Nederlanders.

Pioniers van de aardappelmeel, strokarton en scheepvaart

Al die akkers met tarwe en aardappelen zorgden ook voor de ontwikkeling van nieuwe industrieën. In de Veenkoloniën ontstond een florerende aardappelmeelindustrie. De fabrieken van Willem Albert Scholten verwerkten aardappelen uit de Veenkoloniën tot zetmeel en verwante producten. Dit maakte Scholten tot ’s werelds eerste landbouwindustrieel en multinational. Vanuit Foxhol breidde zijn imperium uit over onder andere Duitsland, Polen en Rusland. In de negentiende eeuw kwam ook de strokartonindustrie op. De eerste Groninger strokartonfabriek werd gesticht in Hoogezand, in 1869. Vervolgens sprongen de strokartonfabrieken als paddenstoelen uit de Oost-Groninger grond. Oude Pekela werd, met maar liefst acht fabrieken, het onbetwiste centrum van de Nederlandse strokartonindustrie. Een andere belangrijke industrie in de negentiende-eeuwse Veenkoloniën was die van de scheepvaart en scheepsbouw. Dat was een gevolg van de export van turf. Kapiteins vervoerden het ‘bruine goud’ via het Veenkoloniale kanalenstelsel naar de open zee, en van daar veelal naar landen rondom de Oostzee.

Pioniers van de emancipatie

Een keerzijde van die bloeiende landbouw en industrie was de groeiende kloof tussen arm en rijk. De zogenaamde ‘Champagnejaren’ (1850-1880) maakten van -voornamelijk- Oldambtster landbouwers ware ‘herenboeren’. Terwijl hun rijkdom naar ongekende hoogten steeg, groeide de ontevredenheid onder de arme landarbeiders. Deze sociale tegenstellingen waren ook te zien in de industriesector. Vooral in de strokarton waren de werkomstandigheden slecht, en de lonen mager. Het is dan ook geen wonder dat nieuwe politiek-maatschappelijke stromingen als het socialisme, anarchisme en het communisme wortel schoten in Oost-Groningen. Juist hier claimden arbeiders hun plekje op het politieke toneel.

Die emancipatiebeweging ging verder dan enkel mannelijke arbeiders. Ook het feminisme kwam opzetten, en niet in de minste plaats in Oost-Groningen. Aletta Jacobs uit Sappemeer was de eerste vrouwelijke student die afstudeerde aan een universiteit én de eerste vrouwelijke arts van Nederland. Onder haar aanvoering werd het vrouwenkiesrecht in 1919 een feit. Een halve eeuw later schreven de ‘sigarenmeisjes’ van sigarenfabriek Champ Clark uit Nieuwe Pekela eveneens geschiedenis, door de eerste vrouwenstaking in Nederland uit te roepen. Het idee dat iedereen zou moeten kunnen participeren in de maatschappij geeft blijk van een sterk besef van eigenwaarde en trots onder Oost-Groningers.

Pioniers van vandaag

Die Oost-Groninger trots is ook vandaag de dag nog goed te zien. De pioniers van vandaag werken aan het versterken van de leefbaarheid van hun regio. Omdat ze de Oost-Groningen zo fijn mogelijk willen maken voor iedereen. Ze werken daarom aan goed onderwijs, en aan het terugdringen van werkloosheid en armoede. Ze ontwikkelen initiatieven om de regio te voorzien van allerlei voorzieningen, om de inwoners gezond te houden, en om een prettige woonomgeving te creëren voor alle Oost-Groningers. Dat klinkt best groots allemaal, en dat is het natuurlijk ook. Maar deze pioniers weten nou eenmaal wat Oost-Groningen allemaal te bieden heeft, en gaan daarom met een boel positieve energie aan de slag.

Over energie gesproken: de provincie Groningen, en ook het oosten van de provincie, loopt wéér voorop als het om energietransitie gaat. Eerst van hout naar turf, van turf naar gas, en nu van gas naar duurzamere energiebronnen. Net als hun voorouders maken Groningers daarbij slim gebruik van wat er al in hun omgeving is: de zon, de wind, het water. De ruimte.

Pioniersgeest

Kortom: Oost-Groningen is een regio van pioniers. Pioniers die kansen zien en die ook durven te grijpen. Oost-Groningers veranderden veen en zee in vruchtbaar bouwland. Ze innoveerden op het gebied van landbouw, ontwikkelde eigen industrieën en zetten zich in voor een brede emancipatie. En die pioniersgeest, die hebben Oost-Groningers vandaag de dag nog steeds. Of het nu gaat over het stimuleren van energietransitie of over het verkleinen van armoede. Het is een mentaliteit van aanpakken. Van kop d’r veur.

 

Portretten van Oost-Groninger pioniers
Komend jaar vertellen we verhalen over Oost-Groninger pioniers. Pioniers van toen, maar ook van nu. ‘We’ zijn het Rijk, de provincie Groningen en de zes Oost-Groninger gemeenten. Met de Regio Deal Oost-Groningen zetten wij ons in om de leefbaarheid van de regio te vergroten. Weg van de negatieve spiraal, en op naar een veerkrachtige en toekomstkrachtig Oost-Groningen.